Kansspelen middeleeuwen

Kansspelen in de middeleeuwen: dobbelstenen, verboden en de eerste loterij van de Lage Landen

De middeleeuwen worden vaak afgeschilderd als een periode waarin het leven zich afspeelde tussen kerk, akker en ambacht. Wie de bronnen leest, ziet iets heel anders. Er werd gedobbeld in havens, in legerkampen, in kloosters, in herbergen en aan vorstelijke hoven. Sterker nog, het spel was zo wijdverbreid dat overheden er al in de twaalfde en dertiende eeuw uitgebreide wetgeving voor optuigden. Wie dat vergelijkt met de huidige gereguleerde markt en een moderne casino top-lijst op thegameroom.org, ziet hoe sterk kansspelen door de eeuwen heen zijn veranderd. Wat volgt is een reconstructie aan de hand van bronnen die nog altijd terug te vinden zijn in archieven en kroniekteksten.

Dobbelen was overal, en juist daarom een probleem

Het dobbelspel was in middeleeuws Europa het kansspel bij uitstek. Het vroeg geen bord, geen tafel en geen geletterdheid, en de spullen pasten in een beurs. Precies die eenvoud maakte het lastig te beheersen. Autoriteiten maakten zich niet zozeer druk om het spel zelf, maar om wat eromheen gebeurde. Godslastering, schulden, vechtpartijen en diefstal keren in de bronnen steeds terug als de werkelijke aanleiding voor ingrijpen.

Het is een patroon dat opvallend modern aandoet. De middeleeuwse wetgever probeerde niet zozeer het toeval te verbieden als wel de sociale schade eromheen in te dammen. Dat verklaart waarom veel maatregelen geen totaalverbod waren, maar limieten, plaatsbepalingen en standsvoorschriften.

1190: een gedocumenteerde inzetlimiet op kruistocht

Een van de vroegst bekende geschreven regelingen dateert uit 1190, tijdens de Derde Kruistocht van Richard Leeuwenhart en Filips II van Frankrijk. De kroniekschrijver Roger van Howden legde vast dat iedereen beneden de rang van ridder in het leger niet om geld mocht spelen. Ridders en geestelijken mochten dat wel, maar niet meer dan twintig shilling verliezen in één etmaal, op straffe van een boete van honderd shilling.

Twee dingen vallen op. Ten eerste is dit geen zedelijk verbod maar een verliesplafond, precies het instrument dat moderne toezichthouders eeuwen later opnieuw zouden uitvinden. Ten tweede was de regeling standsgebonden. Wie hoger stond op de maatschappelijke ladder, mocht meer risico nemen, een gedachte die vandaag ondenkbaar is.

Castilië 1276: een volwaardige gokwet

Het meest uitgebreide juridische document over kansspelen uit de middeleeuwen komt niet uit Engeland of Frankrijk, maar uit Castilië. In 1276 of 1277 stelde ene Maestre Roldán in opdracht van koning Alfons X het Ordenamiento de las tafurerías op, een wetboek dat volledig gewijd was aan het speelhuiswezen.

De tekst regelt de tafurerías, de door de kroon erkende speelhuizen, tot in absurd detail. Er staat in wie waar mocht spelen, welke boetes golden voor wie in een speelhuis een klap uitdeelde of aan iemands haren trok, en welke straffen wachtten op beroepsgokkers zonder ander beroep die hun boete niet konden betalen. Het spelen buiten de erkende koninklijke huizen was strafbaar, wat neerkomt op een middeleeuws vergunningstelsel met een monopoliegedachte.

Dezelfde vorst liet enkele jaren later, in 1283, het rijk geïllustreerde Libro de los juegos samenstellen, met schaak, dobbelspel en bordspelen naast elkaar. Die combinatie is veelzeggend. Aan hetzelfde hof werd het spel tegelijk gereguleerd, bestraft en gedocumenteerd als cultuurgoed.

De jaren 1370: speelkaarten bereiken Europa, en Brabant is er vroeg bij

Speelkaarten zijn in Europa jonger dan vaak wordt gedacht. Ze kwamen vermoedelijk via mamelukse Egyptische decks binnen, met kleuren die verwant zijn aan zwaarden, staven, bekers en munten. De vermeldingen komen pas rond 1370 op gang, en dan opeens in golven.

De Signoria van Florence besloot op 23 maart 1377 tot een verordening over een spel dat kort daarvoor in de stad was geïntroduceerd. In datzelfde jaar schreef de dominicaan Johannes von Rheinfelden in Bazel zijn traktaat over kaartspel, de oudste bewaarde uitvoerige beschrijving van een kaartspel in Europa, waarin het pak van vier kleuren met dertien kaarten al herkenbaar is. Regensburg volgde in 1378 met een verordening die inzetten boven een bepaald bedrag beboette.

Voor lezers in de Lage Landen is één detail bijzonder relevant. In het rekeningenregister van hertog Wenceslas van Brabant staat op 14 mei 1379 een uitgave voor de aankoop van speelkaarten. Brabant behoort daarmee tot de vroegst gedocumenteerde regio’s van Europa waar met kaarten werd gespeeld, samen met Catalonië, Toscane en Zuid-Duitsland. In 1382 duikt Rijsel op in de bronnen. Kaarten waren toen nog handgeschilderd en kostbaar, wat verklaart waarom de vroegste sporen uit hofrekeningen komen en niet uit herbergen.

Vals spel was een erkend juridisch probleem

Waar geld omgaat, ontstaat bedrog, en ook daarvan bestaan procesverslagen. In een bewaard gebleven Engelse klacht beschrijven eisers hoe zij aan een tafelbord verloren tot zij het bord onderzochten en ontdekten dat op drie kwart van het speelvlak de zwarte punten waren verdiept en op het resterende kwart juist de witte. Daarna bekeken zij ook de dobbelstenen waarmee zij hadden gespeeld.

Dat soort documenten is waardevol omdat het laat zien dat men zich terdege bewust was van manipulatie. Verzwaarde en bijgevijlde dobbelstenen worden in latere handboeken uitvoerig beschreven, inclusief de truc om ze te herkennen door ze losjes tussen duim en wijsvinger te laten kantelen.

Brugge 1441: hier begint de moderne loterij

Het spectaculairste hoofdstuk speelt zich af in de Bourgondische Nederlanden. Brugge kampte in de jaren veertig van de vijftiende eeuw met een zware boete opgelegd door hertog Filips de Goede en met de kosten van opstanden. De stad bedacht een oplossing die geen belasting was en geen lening.

In de stadsrekening van 1441 en 1442 staat de eerste vermelding van een lotinghe in de Lage Landen, met alle kenmerken die een loterij vandaag nog heeft. Veel deelnemers, een vooraf vastgelegd lotenplan, prijzen en een openbare trekking. De opbrengst bedroeg volgens die rekening 8745 pond en 18 schelling parisis, bijna vijf procent van de jaarlijkse stadsinkomsten. Onder de prijzen zat overigens niet alleen geld, maar ook een ambacht.

Het idee verspreidde zich razendsnel over Sluis, Ieper, Gent, Rijsel, Nieuwpoort, Oudenaarde, Antwerpen en Leuven. Tussen 1441 en 1500 werden in de Lage Landen naar schatting minstens 82 loterijen georganiseerd. Van Sluis is een document uit 1445 bekend waarin 4304 loten werden verkocht voor één Rijnse gulden per stuk. Voor Nederland wordt vaak 1444 in Utrecht genoemd als vroegste geval, met de opbrengst bestemd voor de stadsmuren, al zijn de bronnen daarover minder eenduidig dan bij Brugge.

Het woord zelf verraadt de herkomst. Loterij komt van het Nederlandse lot, en via de Italiaanse handelssteden werd daar in de zestiende eeuw lotto van gemaakt.

Wat de middeleeuwen laten zien

Drie dingen komen uit de bronnen naar voren. Kansspel was geen marginaal verschijnsel maar dagelijkse praktijk in alle standen. Overheden kozen zelden voor een absoluut verbod en vrijwel altijd voor beheersing via limieten, vergunde locaties en toezicht. En de stap van spel naar publieke financiering was klein, want dezelfde steden die het dobbelen in herbergen beteugelden, organiseerden zelf trekkingen om hun muren te betalen.

Wie vandaag over regulering leest, kijkt dus naar een discussie die minstens acht eeuwen oud is.

Welk van deze middeleeuwse regelingen verrast jou het meest, de inzetlimiet uit 1190 of het vergunde speelhuis uit 1276?